Kaartviewer (laden kan paar seconden duren)
Met 244.000 inwoners (2025) is Groningen de grootste stad van noord-Nederland. Groningen werd voor het eerst genoemd in 1040, daarmee heeft de stad een geregistreerde geschiedenis van bijna 1000 jaar. De bebouwing beperkte zich tot 1900 tot het gebied binnen de singelgracht. Na de eeuwwisseling maakte Groningen een enorme groeispurt door. Inmiddels moet je hemelsbreed zo'n 10 kilometer aan stedelijk gebied overbruggen om van noord naar zuid te komen. Van oost naar west geldt een vergelijkbare afstand. Met de inwerkingtreding van de Woningwet in 1902 werden steden verplicht om een uitbreidingsplan op te stellen. In Groningen nam gemeentearchitect Jan Anthony Mulock deze eervolle taak op zich. Hij presenteerde in 1903 het eerste grote uitbreidingsplan voor de stad, genaamd Plan van Uitleg. Dit plan werd gekenmerkt door gebogen straten, lanen met groene middenbermen en ronde groene pleinen bij kruispunten. Aan de hand van dit plan werden de eerste serieuze uitbreidingen buiten de grachten gerealiseerd, zoals de Schildersbuurt, Zeeheldenbuurt en de Grunobuurt ten zuiden en westen van de binnenstad. Toch bleef de impact van dit plan nog vrij bescheiden. Het bleek in de praktijk veel te duur om het frivole stratenpatroon te realiseren. Uitbreidingsplan 1928 In 1923 trad H.P.J. Schut aan als nieuwe directeur van de Dienst Gemeentewerken in Groningen. De stad telde destijds 100.000 inwoners, maar moest in de toekomst ruimte bieden aan een kwart miljoen mensen. Om dit te realiseren trok hij in 1925 architect H.P. Berlage aan om gezamenlijk een nieuw uitbreidingsplan te maken. Berlage had reeds ervaring opgedaan met grote uitbreidingsplannen voor steden als Den Haag, Amsterdam, Delft en Utrecht. Deze ervaring was ook zeer welkom in Groningen. Berlage en Schut presenteerden in 1928 het eerste grote uitbreidingsplan. Opvallend onderdeel van dit plan waren de twee ringwegen die om de binnenstad heen waren getrokken. In de jaren 20 waren de auto's al wel in opkomst als belangrijk vervoermiddel, maar de ruimte die zij kregen in de toekomstige stad was ongeƫvenaard. Naast de ringwegen voorzag het plan in een groot aantal diagonaalwegen om de ringwegen onderling te verbinden en de stad te ontsluiten richting de regio. In de oude stad volgden deze diagonaalwegen het bestaande stratenpatroon. Hierbij kan worden afgevraagd of deze straten wel waren toegerust op de verkeersstromen of dat er uiteindelijk toch een verbreding nodig zou zijn. De oude stad werd vooralsnog gespaard van doorbraken. Enige uitzondering hierop is een nieuwe diagonaal die de Gelkingestraat met het Hereplein zou verbinden. Vanuit de binnenstad gezien moest het stedelijke gebied in alle richtingen worden uitgebreid. Het zuidelijk gelegen dorp Helpman werd hierbij geheel ingekapseld door de nieuwe stad. Net als de binnenstad werd het bestaande dorp zoveel mogelijk gespaard. De nieuwbouw werd er simpelweg omheen geprojecteerd. Wel werd de buitenste ringweg door het dorp getrokken, wat ongetwijfeld tot enig sloopwerk zou leiden. Het bouwblok als bouwsteen De nieuwe wijken kenmerkten zich door een geordend stratenpatroon van strakke, parallelle wegen. In het midden liep vaak een bredere laan die soms beeindigd werd door een waterpartij of een groots gebouwencomplex. Ook werden op diverse plekken geometrische vormen in het stratenpatroon verwerkt, waarbij de zespuntige ster bij de Noorderbegraafplaats het meest opvalt. De vaak rechthoekige ruimten in het stratenpatroon werden opgevuld met gesloten bouwblokken. Voor deze bouwblokken werd geen architectuur voorgeschreven. Deze verantwoordelijkheid werd belegd bij de ontwikkelaars en architecten. Naast gesloten bouwblokken werd ook ruimte gemaakt voor vrijstaande bebouwing. Deze bebouwing werd vaak wat verder van de hoofdwegen af geplaatst. Van de 571 nieuwe bouwblokken werden 436 gereserveerd voor gesloten bebouwing, 121 voor open bebouwing en 14 voor een mengeling van beide. Spoorplan Opvallend onderdeel in het uitbreidingsplan uit 1928 is het nieuwe spoornetwerk. Het bestaande station van Groningen zou niet langer het centrale punt van het netwerk zijn, maar onderdeel van een nieuwe spoorcirkel die het zuidelijke deel van de stad zou omringen. De directe verbindingen van het station met Roodeschool, Delfzijl en Leeuwarden werden opgeheven. Reizigers in deze richtingen werden voortaan geleid via de nieuwe spoorwegen aan de zuidelijke en oostelijke zijde van de stad. Exacte locaties voor nieuwe stations waren in dit plan nog niet opgenomen, al werd er door Handelsreizigersvereniging Mercirius en Wijkvereniging Helpman wel gelobbyd voor een station op de plek waar het spoor de Rijksstraatweg kruiste.
Museumbrug (H.N.Werkmanbrug)
Kanalen De onderliggende hoofdstructuur van Groningen wordt opgebouwd door de waterwegen. In het midden ligt de omgrachte binnenstad met verbindingen naar alle windstreken. De grootste wijziging ten opzichte van de bestaande situatie is het Van Starkenborghkanaal dat van oost naar noord om de stad heen wordt getrokken. Omdat dit kanaal al in aanleg was tijdens het maken van het uitbreidingsplan kon deze zeer nauwkeurig in de tekening worden verwerkt. De insteekhavens bij de kruising met het Eemskanaal zijn op de voorgestelde plek aangelegd, al zijn deze havens wel een kwartslag gedraaid. Verder valt op dat aan de meeste kades ruimte werd gecreƫerd voor industrie. Veel bouwblokken die grenzen aan het water zijn hiervoor zelfs doormidden geknipt. Zo werd aan de landzijde ruimte voor wonen gemaakt, terwijl het deel dat aan het water grensde werd bestemd als industriegebied. Tenslotte verdient de Museumbrug (H.N. Werkmanbrug) enige aandacht. Dit is de eerste kaart waarop de nieuwe verbinding tussen de binnenstad en het station werd ingetekend. Pas met de opening van het Groninger Museum in 1994 werd deze brug opgeleverd. Het plan heeft dus 66 jaar na de presentatie nog invloed gehad op het Groninger stadsbeeld. Uitbreidingsplan 1932 In 1931 werd het spoorplan ingetrokken waarmee een van de belangrijkste pijlers onder het uitbreidingsplan wegviel. Schut en Berlage gingen vervolgens aan de slag met een herziening van het plan. Dit heeft vooral gevolgen gehad voor de zuidelijke stadsgrens. Waar eerder de spoorlijn werd geprojecteerd was nu ruimte voor extra bebouwing. Bijzonder aan dit vervolgplan is dat niet alleen gekenen naar functies, maar ook naar doelgroepen. De woonbebouwing werd opgedeeld in drie klasses, namelijk herenhuizen, middenstandswoningen en arbeiderswoningen. De middenstandswoningen moeten vooral komen rond Helpman en Paddepoel, terwijl het huidige Corpus Den Hoorn ruimte bood aan de herenhuizen. Uiteindelijk is ook van het uitbreidingsplan niet veel gerealiseerd. De echte grote uitbreidingen vonden pas na de Tweede Wereldoorlog plaats. Hierbij werd het plan niet klakkeloos uitgevoerd, maar het diende wel als leidraad voor de bouwplannen. Bron kaart: Uitbreidingsplan Groningen (1928)